Serv en sectoren helpen lagereschoolkinderen bij studiekeuze

Een beroep kiezen gebeurt niet pas op achttien jaar, zelfs niet op vijftien, maar begint al voor een stuk in de lagere school. Met informeren over de ruime waaier aan beroepsmogelijkheden en sectoren kan men dus maar beter vroeg genoeg beginnen. 21 sectoren en de Serv bundelden hun krachten en lanceren de cd-rom en website “Wie wordt wat? Werk voor Durvers” voor jongeren tussen 11 en 13 jaar.
    Prille tieners weten niet welk beroep ze later willen uitoefenen. Bovendien hebben ze vaak een clichébeeld in hun hoofd van de bekende beroepen. En van heel wat beroepen hebben ze nog nooit gehoord. Mieke Valcke, coördinatrice van de cd-rom en website “Werk voor Durvers” bij de Serv (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) schetst in grote lijnen de pijnpunten bij de studiekeuze van leerlingen op het einde van de basisschool of het begin van de middelbare school. “Deze jongeren informeren over de mogelijkheden is dus belangrijk.”
    Heel wat sectoren, vooral de grotere, zetten al initiatieven op poten om deze doelgroep te bereiken. “Drie jaar geleden rijpte de idee om de handen in elkaar te slaan en met de verschillende sectoren een gezamenlijk initiatief uit te werken. Immers, voor kleinere sectoren is het moeilijker om zelf een actie op te zetten. En ook de grotere sectoren hebben het soms lastig om hun doelgroep te bereiken: de leerlingen, de CLB’s (centra voor leerlingenbegeleiding) en de leerkrachten. Bovendien wordt het aanbod steeds groter waardoor iedereen elkaar voor de voeten dreigt te lopen. CLB-medewerkers of leerkrachten hebben niet de tijd om alle initiatieven af te schuimen. Contacten met de verschillende sectoren waren er al dankzij de netwerken binnen de Serv als gevolg van de sectorconvenanten.” De nieuwe samenwerking mondde in 2007 uit in de sectorbeurzen waar de verschillende sectoren elk een stand hadden. Daarnaast was er een fotoreportage rond de familie Kleermakers waarbij sectoren en beroepen werden voorgesteld. “Al bij al bleef de opkomst van de CLB’s beperkt”, herinnert Mieke Valcke zich. “Maar toch kregen we heel wat positieve reacties op de fotomontage.”
    2007 was ook het jaar van de Competentieagenda 2010 van Vlaams minister van Werk en Onderwijs Frank Vandenbroucke, waarin het thema van een beter geïnformeerde studiekeuze aan bod komt. “Het was het uitgelezen moment voor ons om een voorstel te lanceren. Van de Vlaamse overheid kregen we zo een budget van bijna honderdduizend euro te beschikking. Hiermee hebben we dan de cd-rom en de website gebouwd”, vertelt Valcke.
    21 sectoren sprongen op het initiatief. Samen kozen ze voor een interactieve cd-rom. De kapstok met de familie Kleermakers werd ingeruild voor een vriendengroepje dat een stad verkent en zo in aanraking komt met allerlei beroepen en sectoren. “Op de cd-rom en de website komen alle deelnemende sectoren evenwaardig aan bod. Bijkomende voorwaarde was dat de cd-rom en website geen promomateriaal werden voor de sectoren.”
    Een duizendtal cd-roms zijn al aangevraagd door scholen (de cd-rom is nog niet beschikbaar), de rest gaat naar de CLB’s, de sectoren zelf,... “Volgend schooljaar, in het begin en ergens halfweg, willen we de leerkrachten een postkaart opsturen om de aandacht op de cd-rom en website te vestigen. Het is immers cruciaal voor het succes van de cd-rom dat scholen er aandacht voor hebben, dat leerkrachten er in de klas mee werken. Anders is er het risico dat het bij een leuk speeltje blijft voor de jongeren en het educatieve luik zwaar verwaarloosd wordt. We moeten dus zeker ook die leerkrachten overtuigen van het nut ervan.”
    Een groot voordeel is volgens Mieke Valcke dat het initiatief paritair gedragen wordt. Zowel werkgevers als werknemersafgevaardigden zetten er hun schouders onder. “We geven ook informatie over de werking van de sectoren en bekijken het sociaal overleg.”


    Prikkelen

    Voor Herman Staes, sectorconsulent bij Grafoc (sectorfonds grafische sector) is het goed dat de verschillende sectoren de handen in elkaar slaan. “Het is belangrijk dat elke sector promotie maakt voor zichzelf, maar dit krijgt meer slaagkansen als daarnaast meerdere sectoren samenwerken. Leerlingen krijgen dan in een klap een ruime waaier aan beroepen voorgeschoteld.” Ook Bart van Opstal, projectmedewerker aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt bij VIVO (Vlaams instituut voor vorming en opleiding in de social profit), is enthousiast. “Het is voor ons zeer moeilijk om zo’n project alleen te financieren, daarom is dit initiatief een goede kans om onze sector te profileren. Omwille van de overzichtelijkheid op de cd-rom, hebben we maar 1 beroep in de kijker kunnen zetten (verpleegkundige), maar op de website hebben we plaats voor heel wat meer informatie.”
    Zowel Staes als van Opstal kaarten de onbekendheid van heel wat beroepen aan als grote drempel bij jongeren om hiervoor te kiezen. “Met de cd-rom en de website hopen we dat jongeren de beroepen leren kennen en misschien er¬door geprikkeld geraken en aan de opleiding willen beginnen”, zegt van Opstal. “Uit andere acties, zoals onze hoek in Het Beroepenhuis (zie kader) merken we dat kinderen de breedte van onze sector niet kennen. Met de bekendheid van de verpleegkundige zit het wel goed, maar al de andere beroepen? Er is nog werk aan de winkel. Voor de jongeren uit het secundair onderwijs hebben we beroepenfiches opgesteld met 51 verschillende beroepen. Het probleem blijft steeds budget vinden voor nieuwe initiatieven.”
    Hebben zulke initiatieven naar leerlingen uit de lagere school wel zin? Het is toch nog te vroeg om echt een beroep te kiezen? “Ja”, beaamt Mieke Valcke, “maar toch wordt op het einde van de lagere school al een belangrijke beslissing genomen die de keuze enkele jaren later kan beïnvloeden. De jongeren, en hun ouders, kiezen op dat moment een middelbare school uit. Welke studierichtingen daar worden aangeboden, bepaalt voor een stuk mee de keuze van de jongere voor een beroep. Dus ja, twaalfjarigen informeren heeft wel degelijk zin.” Het is ook van belang om ook de ouders te betrekken bij de studie- en schoolkeuze. “We willen de horizon van jongeren en hun ouders verbreden zodat ze niet te traditioneel kiezen.” Valcke ziet nog elementen die de studiekeuze beïnvloeden. “Het negatieve imago dat rond sommige beroepen hangt door nachtwerk of avond- en weekendwerk. En een gelijkaardig probleem stelt zich bij het beroepsonderwijs. Ook hier is het negatieve imago hardnekkig en het, nog steeds bestaande, onderscheid tussen arbeiders en bedienden helpt er niet aan.”


    Vele kleintjes...

    En zijn er al resultaten? “Hiervoor is het nog te vroeg aangezien de cd-rom nog niet verdeeld is en de website nog niet actief. Ik denk ook niet dat één initiatief de wereld zal veranderen, maar dit, samen met de initiatieven van de individuele sectoren en andere acties, kan misschien toch teweegbrengen dat jongeren langer stilstaan bij hun keuze en dat volwassenen het belang ervan inzien.” Volgens Herman Staes van Grafoc is het inderdaad de veelheid aan initiatieven die uiteindelijk zijn vruchten kan afwerpen. Ook promotie door de overheid helpt. “De grafische sector heeft ook eigen initiatieven lopen zoals een ontdekhoek in Het Beroepenhuis (zie kader), workshops, folders naar scholen en CLB’s met informatie over de scholen die grafische opleidingen aanbieden, medewerking aan de doe-dagen van de VDAB,... Het is moeilijk om een preciese oorzaak aan te duiden, maar we zien wel dat het aantal jongeren in een grafische richting stijgt. En dat is goed want, hoewel de crisis ook de grafische sector raakt, vergrijst de sector. Dus acties naar jongeren blijven nodig.”

    Tussen 1995 en 2006 bleef de verdeling jongeren in ASO, TSO en BSO ongeveer stabiel in Vlaanderen op respectievelijk 40, 31 en 27 procent (BSO daalt heel licht). Volgens het ministerie van Onderwijs scoort Vlaanderen hiermee goed op Europees niveau en zijn deze cijfers wellicht, in het algemeen, niet veel meer te verbeteren. Dat het stabiel blijft, is mee te danken aan de inspanningen van de sectoren. “Wat we wel kunnen aanpakken is dat jongeren vroeger en bewuster kiezen voor TSO en BSO. Nu is bijvoorbeeld BSO vaak pas hun derde keuze, wat gepaard gaat met een vertraagde schoolloopbaan en ongekwalificeerd uitstroom. Daarom is het zo belangrijk om ouders te informeren zodat ze TSO en BSO als een volwaardig alternatief beschouwen, van bij de start.”


    Het Beroepenhuis

    Het Beroepenhuis in Gent is aan zijn vierde werkjaar toe. Leerlingen tussen 11 en 14 jaar kunnen er een waaier aan beroepen ontdekken, vooral technische en praktisch uitvoerende beroepen. Negen sectoren zijn actief in de vzw, elk met een eigen, interactieve ontdekhoek waarin drie tot vijf knelpuntberoepen aan bod komen. “Voor elk beroep wordt er telkens een talent uitgelicht”, legt Sara Kooyman, verantwoordelijke educatieve projecten, uit. “Bijvoorbeeld bij het beroep van dakwerker, balanceren leerlingen op een houten balk en ondervinden zo dat een dakwerker geen hoogtevrees mag hebben. Voor het beroep van lasser, spelen de jongeren met een nep laspistool een soort Dr. Bibberspel om de nood aan een vaste hand en nauwkeurigheid te illustreren.”
    Het Beroepenhuis richt zich in eerste instantie op klassen, die een bezoek brengen. “Maar enkele zondagen per jaar zetten we de deuren openen voor ouders met hun kinderen. Zo kunnen de ouders hun kroost ook eens aan de slag zien”, zegt Sara Kooyman. Het eerste jaar kreeg Het Beroepenhuis 2500 leerlingen over de vloer, nadien waren het er telkens een 6000. “Naast Het Beroepenhuis organiseren we samen met de VDAB de doe-dagen voor leerlingen uit het zesde leerjaar. In de VDAB-centra kunnen deze leerlingen met concrete materialen werken. Zo weten we nog eens 2000 tot 2500 jongeren te bereiken. De bedrijfsbezoeken, een ander initiatief, gebeuren in kleine groepjes.” Voor Kooyman is het van belang dat een bezoek aan Het Beroepenhuis ook in de klas wordt besproken, voor- en nadien. “Om dit te stimuleren organiseren we elk jaar een wedstrijd waarbij scholen een project rond studiekeuze kunnen indienen.”
    De belangrijkste doelstelling voor Het Beroepenhuis is, net zoals bij de cd-rom en website Werk voor Durvers, de horizon van de leerlingen verruimen, hen een bredere kijk geven op de beroepenwereld. “Op deze manier ontdekken ze soms hun talenten”, ervoer Sara Kooyman. “Bovendien is het een motivatie om voor een beroeps- of technische richting te kiezen. Leerlingen die hiervoor niet kiezen, willen we alleszins meer respect bijbrengen voor deze beroepen en het technisch en beroepsonderwijs.” De deelnemende sectoren investeren in het project en maken zo reclame voor zichzelf in de hoop dat later de knelpuntberoepen iets gemakkelijker ingevuld geraken. Tot slot vormt Het Beroepenhuis een platform voor alle spelers die bij de studiekeuze van leerlingen een rol spelen: scholen, CLB, ouders, bedrijven, sectoren,... Een vierde werkingsjaar is nog wat vroeg om met concrete resultaten en cijfers te kunnen uitpakken. “Uit de evaluatieformulieren van bezoekers komen wel hoofdzakelijk positieve geluiden. Leerlingen vinden het tof, vinden dat ze iets bijgeleerd hebben. Leerkrachten duiden op een lijst met mogelijke effecten meestal aan dat de leerlingen hun horizon hebben verruimd, dat ze iets bijgeleerd hebben en dat de informatie een invloed heeft op hun studiekeuze. En daarnaast krijgen de jongeren meer waardering voor de beroepen.”

    Bron: Wie wordt bekister of hovenier, HRMagazine, mei 2009

    Sectornieuws